Hoe blijven pensioenfondsbesturen onder de Wtp in control?

Voor pensioenfondsen die zijn ingevaren onder de Wtp breekt een nieuw tijdperk aan. De focus verschuift van het up en running krijgen van de operatie naar het monitoren en het opstellen van rapportages met bruikbare stuurinformatie.

Op een aantal onderdelen blijft de bestaande stuurinformatie relevant. Op andere onderdelen is aanvullende informatie nodig om zicht te houden op strategische doelen en risico’s van de regeling.

Er kan onderscheid worden gemaakt in

  • informatie en rapportages om te monitoren of de uitbesteding en implementatie goed loopt,
  • informatie en rapportages om te beoordelen of het beleid nog aansluit bij de doelen en de risico’s zoals beoogd en
  • informatie en rapportages welke de basis zijn voor communicatie aan deelnemers

De informatie en rapportages rondom uitbesteding en implementatie blijven grotendeels vergelijkbaar met de situatie vóór de Wtp. Het bestuur ontvangt deze informatie vanuit de pensioenuitvoeringsorganisatie (PUO) en vanuit fiduciair- of vermogensbeheer.

Vanuit de PUO betreft dit onder meer:

  • het behalen van SLA-normen;
  • de status van klachten en incidenten;
  • ontwikkelingen in websitebezoek en klantcontact;
  • openstaande debiteurensaldi.

Vanuit vermogensbeheer gaat het om:

  • de positionering van de portefeuille ten opzichte van de normportefeuille;
  • gerealiseerde rendementen, zowel absoluut als ten opzichte van benchmarks;
  • uitsplitsing van de portefeuille naar bijvoorbeeld landen en sectoren;
  • de positionering van de matchingportefeuille ten opzichte van de beoogde renteafdekking;
  • gerealiseerde rendementen op renteafdekking ten opzichte van de doelstellingen.

Deze rapportages geven inzicht in de uitvoering, maar bieden beperkt zicht op de mate waarin beleidsdoelstellingen worden gerealiseerd.

De belangrijkste veranderingen doen zich voor in de rapportagebehoefte rondom beleidssturing en communicatie. Met name de stuurinformatie over beleid, en de informatie die ten grondslag ligt aan communicatie richting deelnemers, vragen om een andere invulling.

In dit artikel staat de stuurinformatie voor beleidssturing van het pensioenfonds onder de Wtp centraal.

Stuurinformatie voor monitoring van beleid

Bij stuurinformatie over beleid staan twee vragen centraal:

  1. Sluit het beleid nog aan op de doelstellingen van de regeling, de bijbehorende risico’s en de risicohouding van de deelnemers? Geven veranderingen in de financiële situatie aanleiding om het beleid te heroverwegen?
  2. Zijn de economische aannames waarop het beleid is gebaseerd nog valide?

Doelen van de regeling

Voordat er maatstaven vastgesteld kunnen worden, is een heldere definitie van de doelstellingen van de pensioenregeling noodzakelijk om te beoordelen of het beleid nog aansluit op de beoogde risico’s en uitkomsten. De vraag is daarom welke doelstellingen onder de Wtp precies centraal staan. Met de transitie naar de Wtp is de pensioenregeling immers een premieregeling geworden. Voor de solidaire premieregeling is een pensioenambitie vastgesteld voor een startende deelnemer, uitgaande van een vast premieniveau. Voor uitkeringsgerechtigden wordt soms aanvullend als doelstelling opgenomen dat de regeling moet bijdragen aan gemiddelde pensioenverhogingen die de koopkracht ondersteunen. Ook kan als doelstelling gelden dat de solidariteitsreserve en het uitkeringsbeleid de kans op nominale pensioendalingen beperken. Voor deelnemers die al langer deelnemen, maar nog niet met pensioen zijn, ontbreekt een expliciete pensioendoelstelling. Wel hebben pensioenfondsen de risicohouding moeten vastleggen. Daarmee is voor verschillende deelnemersgroepen een grens gesteld aan het beleggingsrisico dat kan worden genomen.


Kernindicatoren voor monitoring van Wtp-beleid

Vanuit deze doelstellingen kunnen verschillende indicatoren worden geformuleerd. Daarnaast zijn er een aantal relevante grootheden die aanvullende informatie bieden om te beoordelen of de regeling of het beleid aanpassingen behoeft.

Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de uitkeringsfase en opbouwfase:

Uitkeringsfase

  • Het niveau van het spreidingsvermogen t.o.v. het uitkeringsvermogen: dit geeft inzicht in de ruimte voor een mogelijke eerstvolgende pensioenverhoging. Feitelijk is dit de dekkingsgraad van het uitkeringscollectief.
  • De kansverdeling van de eerstvolgende pensioenaanpassing, inclusief de kans op verhogingen en verlagingen. Deze informatie vormt niet allen de basis voor communicatie aan deelnemers, maar geeft het bestuur ook inzicht in de vraag of aanvullend beleid nodig is rond het solidariteitsbeleid of het uitkeringsbeleid om op deze maatstaf bij te sturen.
  • De kansverdeling van pensioenaanpassingen op een horizon van bijvoorbeeld 5 jaar, zowel qua kans als omvang. Dit maakt zichtbaar of de doelstelling van nominale bescherming over een langere horizon realistisch blijft.
  • De kansverdeling van de cumulatieve pensioenverhoging over bijvoorbeeld 5 jaar, afgezet tegen de cumulatieve inflatie: dit geeft inzicht in de mate waarin koopkrachtbehoud op langere termijn haalbaar is.

Opbouwfase

  • Kansverdeling van het verwachte pensioen op pensioendatum voor een startende deelnemer (premie-ambitie toets), en de ontwikkeling daarvan ten opzichte van de vorige rapportage.
  • Voor een aantal maatmensen kan de ontwikkeling van de kansverdeling van het pensioen op pensioendatum worden gevolgd. Hoewel voor deelnemers die al pensioen opbouwen geen expliciete doelstelling is geformuleerd, biedt dit wel inzicht in de ontwikkeling van pensioenverwachtingen als gevolg van rendementen, rente, inflatie en economische vooruitzichten. Wanneer de pensioenontwikkeling voor bepaalde groepen structureel ongunstiger uitvalt dan voor andere groepen, ontstaat een signaal om te onderzoeken of bijsturing mogelijk is.

Deze maatstaf, alsook de voorgaande, kunnen worden vergeleken met het gemiddelde geïndexeerde pensioen. Zo ontstaat inzicht in de vervangingsratio en wordt vergelijking met een middelloonregeling mogelijk.

  • Ook kan berekend worden, welk rendement er benodigd is om voor diverse maatmensen op een bepaalde pensioenambitie uit te komen, bijvoorbeeld 80% middelloon. Dit kan worden vertaald naar een benodigd rendement op de rendementsportefeuille, onder de aanname van stabiele rentes of een mediaan scenariopad en constante inflatie. Wanneer de informatie beschikbaar is, biedt ook het reeds gerealiseerde rendement per generatie sinds toetreding tot de Wtp extra inzicht. Een oplopende rendementsgrens of een dalend historisch rendement kan erop wijzen dat verwachte pensioenen onder druk komen te staan.
  • Voor deelnemers die één tot drie jaar voor pensioendatum zitten, kan het verwachte startniveau van het pensioen in nominale termen worden gevolgd. Dit maakt zichtbaar hoe kapitaalsontwikkeling, spreidingsvermogen, rente en het nominale pensioen op elkaar inwerken. Daarmee ontstaat inzicht in de vraag of de regeling bijdraagt aan voldoende stabiele pensioenverwachtingen in de aanloop naar pensionering.

Naast deze indicatoren gelden ook wettelijke vereisten. De wetgever stelt dat pensioenfondsen jaarlijks moeten toetsen of het beleggingsrisico nog aansluit op de risicohouding. Hiervoor moet er getoetst worden aan drie wettelijke maatstaven en moet de voorgeschreven DNB-scenarioset worden gebruikt. Zowel de wettelijke maatstaven als de voorgeschreven scenarioset zijn echter niet geschikt om te toetsen of het beleid nog aansluit op de doelen van de regeling. Dit toetsingsinstrument heeft een ander doel.

Monitoren van economische verwachtingen

Het beleid van het pensioenfonds -waaronder het beleggingsbeleid, het uitkeringsbeleid en het solidariteitsbeleid- is gebaseerd op aannames over de ontwikkeling van rente, inflatie en rendementen.

Daarom is het van belang te volgen of de realisatie van deze economische grootheden binnen de veronderstelde bandbreedtes blijft. Ook is relevant of indicatoren signaleren dat de verwachtingen voor de toekomst afwijken van eerdere aannames. Bij deze monitoring kunnen zowel stochastische als deterministische scenario’s worden betrokken.

Onderdeel van deze monitoring is de periodieke evaluatie van de beleggingscategorieën. Daarbij wordt onderzocht of deze categorieën opleveren wat vooraf werd verondersteld. Hierbij kan overwogen worden om bepaalde categorieën op korte of lange termijn zwaarder of lichter in de portefeuille op te nemen omdat zij meer of minder aantrekkelijk zijn geworden.

Wat betekent dit voor pensioenfondsen?

Met de transitie naar Wtp verandert de informatie die pensioenfondsen nodig hebben om het strategische beleid te evalueren en zo nodig bij te sturen. Dit vraagt om een expliciete inrichting van monitoring, met indicatoren die direct inzicht geven in de realisatie van doelstellingen, de ontwikkeling van risico’s en de uitkomsten voor verschillende deelnemersgroepen. Een gestructureerd monitoringskader vergroot de mate waarin besturen aantoonbaar in control kunnen blijven.

Gerelateerde insights

X
Cookies help us improve your website experience.
By using our website, you agree to our use of cookies.
Confirm