In deze tijd waarin de dekkingsgraad door de corona crisis soms wel 15% is gedaald en de economische vooruitzichten onzeker zijn, leidt dit op bestuurstafels tot de vraag of dit moet leiden tot aanpassingen in het beleggingsbeleid. Het beantwoorden van een aantal belangrijke vragen kan hierbij behulpzaam zijn.

De belangrijkste vraag die een bestuur zich zal moeten stellen is of de gedefinieerde pensioenambitie nog haalbaar is binnen de vastgestelde risicohouding. Hierin kan het bestuur teruggrijpen op de risicohouding zoals in onderlinge samenhang vastgesteld met sociale partners. Voor pensioenfondsen die in hun risicohouding de focus leggen op korte termijn kortingsrisico’s, valt de huidige situatie veelal niet binnen de afgesproken risicotolerantie. Voor pensioenfondsen die de focus leggen op lange termijn resultaten kan de huidige situatie nog wel acceptabel zijn.

Daarnaast moet het bestuur de gehanteerde economische uitgangspunten beoordelen die gebruikt worden om deze haalbaarheid van de ambitie te analyseren. Geven de recente ontwikkelingen op beurzen en in de reële economie aanleiding om de economische uitgangspunten te herzien? Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in een korte termijn impact en een lange termijn impact. De lagere economische groei voor de komende jaren heeft al geleid tot fors lagere dekkingsgraden. Een tweede Coronagolf zou tot een extra dekkingsgraadschok kunnen leiden. Daarnaast is de vraag of er een structurele impact van Corona is te verwachten, in de zin van een structureel lagere economische groei. Dit laatste is moeilijk te voorspellen, en zou de impact voor pensioenfondsen vele malen groter maken.

Is de vastgestelde risicohouding nog passend? Pensioenfondsen maken in hun risicohouding een afweging tussen korte termijn risico op het moeten korten van de aanspraken versus de lange termijn doelstelling van het realiseren van de indexatie- en opbouwambitie. De gedaalde dekkingsgraden hebben tot gevolg dat de kortingsrisico’s zijn toegenomen en de indexatieambitie wellicht minder haalbaar wordt. Daarnaast leidt de gedaalde rente tot een hogere premiedruk die niet altijd kan worden opgebracht, waardoor de opbouw mogelijk naar beneden moet worden bijgesteld. Dit vraagt om een evaluatie van de risicohouding. Het is bijvoorbeeld goed mogelijk dat pensioenfondsen die normaliter vooral op de lange termijn focussen, nu kortingsrisico’s toch een belangrijkere rol willen geven in de beleidsbeoordeling. Anderzijds is het ook mogelijk dat sociale partners hun lange termijn ambities naar beneden bijstellen of juist een hoger risico accepteren om toch de ambitie te kunnen verwezenlijken. Als het bestuur tot de conclusie komt dat de pensioenambitie niet meer haalbaar is binnen de vastgestelde risicohouding, of als het bestuur een herbevestiging van de risicohouding bij sociale partners wenselijk acht door de toegenomen korte termijn risico’s, zal zij in gesprek moeten gaan met sociale partners, en samen met sociale partners in kaart moeten brengen welke opties er zijn.

  • Als de korte termijn risico’s te groot zijn geworden dan bestaan de beleidskeuzes uit het terugbrengen van het beleggingsrisico in de portefeuille of het verbeteren van de premiedekkingsgraad. Deze opties hebben natuurlijk een keerzijde, namelijk een verslechtering van het indexatie potentieel, een versobering van de regeling of het verhogen van de premie.
  • Als de lange termijn ambitie niet meer haalbaar is, kan bekeken worden of dit beter realiseerbaar wordt door een ander beleggingsbeleid te voeren. Veelal zal dit niet mogelijk zijn zonder substantiële verhoging van het beleggingsrisico, hetgeen bij een fonds in reservetekort niet is toegestaan.
  • Alternatief voor het aanpassen van het beleid is om te accepteren dat de ambitie niet meer haalbaar is binnen het oude risicobudget, en nieuwe afspraken te maken door de ambitie en/of de risicohouding bij te stellen.

Tenslotte is een goede communicatie naar de achterban over de consequenties van de gedaalde dekkingsgraad en het huidige economische klimaat noodzakelijk. Hierdoor worden deelnemers meegenomen in wat dit kan betekenen voor het nominale pensioen en de indexatieverwachtingen op de korte termijn. 

De gedaalde dekkingsgraden leggen een extra druk op de premiediscussie. Is de lage premiedekkingsgraad nog evenwichtig? Dit leidt op haar beurt tot een discussie of het opbouwen van pensioen in een uitkeringsovereenkomst nog wel het beste pensioen oplevert. Voordat hier samen met sociale partners een keuze over gemaakt wordt, moeten alle voor- en nadelen worden afgewogen. Extra aandachtpunt hierin is of een keuze voor een overstap op de verbeterde premieregeling nadelig kan uitpakken als we over een paar jaar de transitie naar een nieuw pensioenstelsel willen maken.

Vragen of opmerkingen?

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit stuk, neem dan contact op met uw contact persoon bij Ortec Finance of met Chantal de Groot (Chantal.deGroot@ortec-finance.com) of Sacha van Hoogdalem (Sacha.vanHoogdalem@ortec-finance.com)

Gerelateerde insights

X