Uit Ortec Finance onderzoek blijkt dat het inflatierisico in de solidaire premieregeling veel beter bestreden kan worden dan in het huidige FTK. Door een gerichte inzet van de verschillende beschikbare (nieuwe) sturingsmiddelen blijft de koopkracht van de pensioenuitkeringen met grote kans op peil. Net als in het FTK geldt dat reële zekerheid duurder is dan nominale zekerheid.

Nu ook berekeningen beschikbaar hier.

Het nieuwe pensioenstelsel heeft net als het huidige FTK een nominaal karakter. Er is veel kritiek geweest op de (concept)wetgeving omdat inflatierisico in het nieuwe stelsel onvoldoende geadresseerd zou worden. Uit Ortec Finance onderzoek blijkt het in de solidaire premieregeling – hoewel nominaal van karakter – goed mogelijk is om een hoge mate van koopkrachtbescherming te bieden. Reële pensioenuitkeringen zijn hoger en zekerder dan in het FTK. Net als in het FTK geldt dat reële zekerheid duurder is dan nominale zekerheid.

Invulling van een beleid dat hoge koopkrachtzekerheid biedt

Door de gerichte inzet van verschillende (nieuwe) sturingsmiddelen in de solidaire premieregeling (SPR) kan veel meer koopkrachtzekerheid geboden worden dan in het FTK. Hoe moet het beleid ingevuld worden om een hoge mate van koopkrachtzekerheid te bereiken? Het gaat om de volgende sturingsmiddelen: beleggingsbeleid, projectierendement en de solidariteitsreserve.

Beleggingsbeleid in de uitkeringsfase

De drie belangrijkste economische drivers die bepalend zijn voor de koopkracht van pensioenuitkeringen zijn rente, (over)rendement en inflatie. Het beleggingsbeleid op fondsniveau in de SPR moet - i.c.m. de toedelingsregels van het beschermings- en overrendement – in de uitkeringsfase zorgen voor een hoge mate van bescherming tegen renterisico en voldoende overrendement om de pensioenen mee te laten groeien met de prijsstijgingen. We hanteren in ons onderzoek een 100% rentehedge en een 50% exposure naar de returnportefeuille in de uitkeringsfase. Omdat de solidariteitsreserve effectief schokken opvangt, zijn de risico’s in de uitkeringsfase beperkt, ondanks de (groter dan nu in de WVP gebruikelijke) return-exposure.

Projectierendement

Het projectierendement moet prudent (lager dan de RTS) worden vastgesteld om zo (een deel van) de verwachte inflatie te kunnen compenseren. We hanteren in ons onderzoek RTS -/- 0,5% als projectierendement.

Solidariteitsreserve

De solidariteitsreserve moet – in die gevallen dat het beleggingsbeleid en het prudente projectierendement onvoldoende blijken voor koopkrachtbehoud - kunnen compenseren voor zowel negatieve schokken op de returnportefeuille als voor onverwacht hoge inflatie. Dit vergt een stevige financiering via een initiële storting en/of via het overrendement en/of via de premie. We hanteren in dit onderzoek een initiële storting van 12,5% en vullen de solidariteitsreserve verder aan met 10% van het overrendement (mits positief). We gebruiken de ‘Ortec-methode’ waarbij de reserve alleen ingezet wordt om in enig jaar de koopkracht van de uitkering op peil te houden (betaalbaar), en niet om het hele persoonlijke pensioenkapitaal te verhogen t.b.v. toekomstig koopkrachtbehoud (onbetaalbaar).

Hogere en stabielere reële en nominale pensioenen

Als we het beleid in de SPR inrichten op de bovenstaande wijze, zien we in ons onderzoek hogere en stabielere reële pensioenen dan in het FTK voor jong en oud. Deze bevindingen gelden zowel in normale als in slechte economische omstandigheden (lage rendementen en/of hoge inflaties), en bij verschillende dekkingsgraadniveaus op het transitiemoment. Deze conclusie hadden we in een eerder onderzoek al getrokken voor de nominale uitkeringen. Uit dit onderzoek blijkt dat dit ook geldt voor de reële uitkeringen/koopkracht. Het inflatierisico kan in de SPR aanmerkelijk efficiënter bestreden worden omdat de solidariteitsreserve schokken beter absorbeert dan de buffers in het huidige FTK.

Het is bij het schrijven van dit artikel nog niet duidelijk in hoeverre deze conclusies ook gelden voor de (collectieve variant van de) flexibele premieregeling. Dit hangt af van de mogelijkheden die de wetgever fondsen biedt bij het inregelen van de risicodelingsreserve.

Maximale of gedeeltelijke koopkrachtbescherming?

Een hoge mate van koopkrachtbescherming die ook direct de huidige gepensioneerden beschermt is niet goedkoop. Het vergt een forse initiële storting in de solidariteitsreserve (10% à 15%) en een verlaging van het projectierendement met ten minste 0,5%. Daardoor is er op het transitiemoment een dekkingsgraad van minimaal 120% nodig, en dat is nog zonder een storting in een eventueel compensatiedepot en zonder verhogingen (‘inhaalindexatie’) van de pensioenkapitalen en uitkeringen. Waarschijnlijk zullen de meeste fondsen zich dit niet kunnen permitteren en/of niet zoveel over hebben voor maximale koopkrachtbescherming. Sociale partners en fondsen kunnen de lat ook iets lager leggen door in te zetten op gedeeltelijke koopkrachtbescherming. Dit levert uiteraard minder koopkrachtzekerheid maar nog altijd veel meer dan in het FTK en tegen veel lagere ‘kosten’. Gedeeltelijke koopkrachtbescherming lijkt daarmee voor veel fondsen een aantrekkelijk en betaalbaar alternatief. In een vervolgonderzoek zullen we hier aandacht aan besteden.

Implicaties op korte termijn

Sociale partners moeten de doelen waarvoor de solidariteitsreserve moet worden ingezet vaststellen. Uit ons onderzoek blijkt dat sociale partners (gedeeltelijke) koopkrachtbescherming mee kunnen geven als doelstelling want het blijkt mogelijk om een hoge mate van koopkrachtbescherming te bereiken, mits er op het transitiemoment voldoende vermogen aanwezig is.

Vervolg

De resultaten van het onderzoek zijn onderdeel van een groter onderzoek naar de invulling van het beleid in het nieuwe pensioenstelsel. In vervolgartikelen zullen wij verder ingaan op het beleggingsbeleid en het solidariteitsbeleid.

Download volledig rapport hier (pdf)

Gerelateerde insights

X