Veel Nederlandse pensioenfondsen hebben al jarenlang een lage premiedekkingsgraad. De premie is in dat geval lager dan de kosten van de nieuwe opbouw op basis van de marktrente. Hierdoor ‘erodeert’ de dekkingsgraad van veel fondsen tot soms meer dan 1%-punt per jaar, waardoor het toekennen van indexatie (nog verder) uit het zicht verdwijnt en de kans op een korting groter wordt. Met name voor de deelnemers die veel hebben opgebouwd (oudere actieven & slapers en de gepensioneerden) gaat dit ten koste van de koopkracht. Er is dus sprake van ‘subsidiëring’ van oud naar jong.

Veel fondsbesturen en sociale partners twijfelen aan de evenwichtigheid van deze situatie en overwegen de subsidiëring te beperken door de opbouw te verlagen en/of de premie te verhogen. Een substantiële premieverhoging is in veel gevallen niet haalbaar waardoor het verhogen van de premiedekkingsgraad in de praktijk vooral neerkomt op een opbouwverlaging.

Nieuw pensioenstelsel

Over een aantal jaren wordt er niet meer opgebouwd in het huidige stelsel, maar vindt pensioenopbouw plaats in de solidaire- of in de flexibele premieregeling. In het nieuwe stelsel kan er geen sprake meer zijn van een lage of hoge premiedekkingsgraad. Iedereen voegt periodiek de eigen pensioenpremie toe aan het eigen pensioenkapitaal en er is daarmee geen sprake meer van subsidiëring via de premie van oud naar jong of andersom1.

Over een aantal jaar wordt bij de transitie naar het nieuwe stelsel het fondsvermogen omgezet naar persoonlijke pensioenkapitalen van de deelnemers. Een aanpassing van de opbouw nu, werkt dus nog slechts enkele jaren (tot aan het transitiemoment) door op de dekkingsgraad en daarmee op het niveau van de persoonlijke pensioenkapitalen en de pensioenuitkeringen direct na het transitiemoment. Als vanaf nu een lagere opbouw en dus hogere premiedekkingsgraad doorgevoerd wordt, zal de dekkingsgraad de komende jaren minder ‘eroderen’ en belandt op het transitiemoment er meer kapitaal bij de ouderen en minder bij de jongeren. Een analyse van een voorbeeldfonds in een veel voorkomende situatie laat de gevolgen voor jong en oud zien.

 

Veel voorkomende situatie

Om gevoel te krijgen voor de impact van de ‘subsidie’ van oud naar jong, volgt hieronder een voorbeeld van een pensioenfonds met veel voorkomende kenmerken en de volgende aannamen:
  • Huidige dekkingsgraad: 100%
  • Huidige premiedekkingsgraad: 70%
  • Fonds is iets jonger dan gemiddeld: Premiedekkingsgraad 70% > -/-1% dekkingsgraad per jaar (M1 in herstelplansjabloon)
  • Invaren in nieuwe stelsel over 4 jaar (‘standaardmethode’)
  • Fondsvermogen wordt volledig toegekend aan persoonlijke pensioenkapitalen (geen solidariteits-/risicodelingsreserve)
  • Verwachte dekkingsgraad bij voortzetting huidige premiedekkingsgraad: nog steeds 100%
  • Verwachte dekkingsgraad bij opbouwverlaging, zodanig dat de premiedekkingsgraad 100% is: 104%.

Gevolgen voor jong en oud

Als de pensioenopbouw zodanig verlaagd wordt dat de premiedekkingsgraad de komende jaren gelijk is aan 100% (geen subsidie meer van oud naar jong), dan geldt voor dit voorbeeldfonds:
  • Een jongere die net begint met pensioen opbouwen heeft na vier jaar (transitiemoment) een kwart minder pensioen opgebouwd. Dit leidt 40 jaar later tot een naar verwachting 2,5% lagere pensioenuitkering
  • Voor een 70-jarige gepensioneerde blijft de pensioenuitkering de komende jaren gelijk; er wordt niet gekort maar er kan ook niet geïndexeerd worden. Vanaf het transitiemoment stijgt de uitkering van de gepensioneerde echter met ruim 3%2
  • Voor een 55-jarige actieve deelnemer is het nadeel van een lagere opbouw ongeveer even groot als het voordeel van een hogere dekkingsgraad op het transitiemoment: de verwachte pensioenuitkering blijft ongeveer gelijk.

Evenwichtigheid

De analyse voor het voorbeeldfonds geeft een indruk van de impact van een lage premiedekkingsgraad in de komende jaren: Het kost de huidige ouderen ruim 3% pensioen. Hiermee kan niet direct de conclusie getrokken worden dat een verlaging van het opbouwpercentage (en daarmee een hogere premiedekkingsgraad) evenwichtig is.

Ouderen kunnen beargumenteren dat hiermee de indexatie-achterstanden niet nóg verder oplopen door de doorlopende subsidie van oud naar jong. Jongeren kunnen beargumenteren dat zij waarschijnlijk meer premie zullen betalen, langer zullen moeten doorwerken, en daar met grote kans een lager pensioen voor terug krijgen dan de huidige ouderen. Bovendien is een eventuele aanpassing van de premie en/of opbouw slechts een van de beslissingen die de komende jaren genomen moeten worden. Door de overgang naar het nieuwe stelsel (afschaffen doorsneepremie, lagere buffers, …) zullen verschillende generaties er in meer of mindere mate op voor- of achteruitgaan. Daarnaast gaan fondsen die kiezen voor het transitie-FTK mogelijk meer indexeren wat ook invloed heeft op de (verdeling van) het pensioenvermogen tussen de verschillende generaties.

Er moeten de komende jaren dus meerdere beslissingen worden genomen door sociale partners en fondsbestuurders die invloed hebben op evenwichtigheid. Bij het bepalen van evenwichtigheid moet gekeken worden naar het totaalpakket aan wijzigingen dat de komende jaren doorgevoerd gaat worden, en niet alleen naar de afzonderlijke onderdelen.

Conclusie

Veel pensioenfondsen hebben een premiedekkingsgraad die fors lager is dan 100% waardoor de ouderen de pensioenopbouw van de jongeren ‘subsidiëren’. Fondsbestuurders en sociale partners twijfelen aan de evenwichtigheid van deze situatie. Uit een analyse met een voorbeeldfonds blijkt dat deze subsidiëring in de komende jaren de gepensioneerden ruim 3% pensioen kan kosten. De conclusie dat dat niet evenwichtig is, is echter te kort door de bocht. Vanwege de komst van het nieuwe pensioenstelsel moeten er de komende jaren meerdere beslissingen nemen die invloed hebben op het pensioen van jong en oud. Bij het bepalen van evenwichtigheid moet gekeken worden naar het totaalpakket aan wijzigingen, en niet alleen naar de afzonderlijke onderdelen.

-

1 In het nieuwe stelsel kan er via de solidariteitsreserve (ex post) nog wel sprake zijn subsidiëring, maar sowieso van veel kleinere omvang dan in de huidige situatie.
2 Hoewel het volledige fondsvermogen wordt verdeeld over de persoonlijke pensioenkapitalen, stijgt de uitkering van de gepensioneerde (74 jaar) niet met 4,0% maar slechts met 3,2%. Dit komt doordat bij de verdeling van het fondsvermogen volgens de standaardmethode de ouderen iets minder dan 4% krijgen en jongeren iets meer. Bij een dekkingsgraad van minder dan 100% krijgen de ouderen juist een iets kleiner deel van de korting toebedeeld en de jongeren een iets groter deel.

Gerelateerde insights

X