Een blik vooruit na de Wtp transitie

De afgelopen jaren stond de pensioensector in het teken van één dominante opgave: de transitie naar de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Voor de hele keten was dat een zodanig grote operatie dat er nauwelijks ruimte was om verder vooruit te kijken.

Nu de eerste fondsen zijn ingevaren en een grote groep binnen afzienbare tijd volgt, ontstaat ruimte voor een bredere langetermijnagenda. Daarmee komen thema’s terug die na de implementatiefase opnieuw beleidsmatige keuzes vragen. Dit artikel benoemt de belangrijkste onderwerpen en duidt de implicaties voor bestuur en beleid.

Communicatie

Na implementatie verschuift de focus vaak naar de vraag hoe deelnemers worden meegenomen in de ontwikkeling van hun kapitaal of uitkering. Via welk kanaal gebeurt dat, met welke frequentie, in welke mate van detail en in welke gevallen is tussentijdse informatievoorziening ook gewenst?

In veel gevallen vraagt de Wtp om andere informatievoorziening dan het FTK. Daardoor kan herijking van het communicatiebeleid noodzakelijk zijn, inclusief een expliciete afweging van kanaalkeuzes en informatieniveaus.

Na de transitie kunnen eerder opgestelde plannen worden doorontwikkeld en geconcretiseerd. Dat vergroot het belang van consistente definities, vaste boodschaparchitectuur en governance op wijzigingen

Monitoring onder Wtp

De meeste fondsen hadden onder het FTK al een periodieke monitoringsrapportage, waarin de ontwikkeling van een aantal belangrijke grootheden werd gevolgd. Vaak stond de collectieve dekkingsgraad centraal, aangevuld met indicatoren zoals rendement, reële dekkingsgraad, indexatie-achterstand of koopkrachtperspectief.

In de Wtp verschuift het perspectief van collectief naar meer individueel. Financiële ontwikkelingen werken daardoor anders door voor verschillende deelnemersgroepen. Dat vraagt meer inzicht in de gevolgen van de rente en rendementen voor de onderliggende kapitalen en uitkeringen.

Voor een bestuur is het van belang dit inzicht tijdig te hebben. Deelnemers kunnen via pensioenoverzichten zelf immers ook hun kapitaal volgen. In volatiele markten kan dit extra druk zetten op uitleg en communicatie.

Daarnaast geldt de verplichting om periodiek te toetsen of risico’s en pensioenverwachtingen nog passen bij de risicohouding. Wanneer grenzen worden doorbroken, vraagt dit om beleidsaanpassing. Dit vergroot de noodzaak van monitoring die direct aansluit op risicohouding en beleidskaders.

Keuzebegeleiding

Keuzebegeleiding is een nieuwe norm in de invoering van de Wtp. Pensioenuitvoerders zijn verplicht hun deelnemers in staat te stellen passende keuzes te maken.

Begin 2025 publiceerde de AFM inzichten uit een verkennend onderzoek naar de inrichting van keuzebegeleiding. De toezichthouder concludeerde dat nog stappen nodig waren in inrichting en onderbouwing ervan. Eind 2025 werd opnieuw gesignaleerd dat de keuzebegeleiding in sommige gevallen onder de maat is. Inmiddels loopt een handhavingsonderzoek, waarvan in Q2 de uitkomsten worden verwacht.

In de aanloop naar de transitie is bij veel fondsen (uitvoeringsorganisaties) wel begonnen met de inrichting van een keuzebegeleidingsproces. Dit voldoet echter in veel gevallen weliswaar aan de minimale wettelijke eisen, maar steunt nog niet op een bewust gekozen fondsbeleid.

Dit beleid zou de inzichten in de kenmerken en behoeftes van de deelnemers centraal moeten stellen. Op basis daarvan stelt het bestuur een ambitie vast, waar het fonds naartoe wil groeien in hun keuzebegeleiding. Deze ambitie gaat onder andere over welke informatie een fonds van zijn deelnemers wil meenemen, in welke mate deelnemers worden geadviseerd over de pensioenkeuzes en of dit geautomatiseerd of altijd met hulp van een adviseur gebeurt.

Het vaststellen of inrichten van de ambitie is bij veel fondsen uitgesteld tot na de transitie. Door dit onderwerp nu te agenderen, kan beleid worden vastgesteld, ingericht en stapsgewijs opgeschaald in ambitie.

Integratie klimaatrisico’s in beleid

Met de geactualiseerde klimaat- en natuurgids, gepubliceerd in de zomer van 2025, maakt DNB duidelijk dat vanaf 2026 de inschatting van deze risico’s wordt meegewogen in de beoordeling van prudentiële risico’s. Dit kan grote impact hebben op de manier waarop fondsen hun risicobeheer moeten inrichten.

De toezichthouder constateert dat een aanzienlijk aantal pensioenfondsen deze risico’s nog onvoldoende inzichtelijk heeft. In een recente bijdrage in Pensioen Pro benoemt DNB dat veel fondsen een generieke top-down benadering hanteren. Hierdoor ontbreekt vaak zicht op de daadwerkelijke kwetsbaarheden binnen de eigen portefeuille. Daarnaast wordt regelmatig geen klimaatscenario-analyse uitgevoerd, terwijl juist dat instrument essentieel is om de financiële gevolgen van klimaatverandering te begrijpen.

Het integreren van klimaat- en natuurrisico’s moet daarmee structureel onderdeel worden van het fondsbeleid en de bestuursagenda.

Koopkrachtambitie

Eén van de doelstellingen van de Wtp was het bieden van perspectief op een koopkrachtiger pensioen. Veel pensioenfondsen hebben de wens uitgesproken om, ook binnen het nieuwe stelsel, een herkenbare relatie te behouden tussen de ontwikkeling van uitkeringen en de feitelijke inflatie.

Deze behoefte is vooral zichtbaar in perioden met hogere inflatie. Het ontbreken van expliciete inflatiesturing kan leiden tot een snelle en zichtbare achteruitgang van de koopkracht van gepensioneerden.

Naar aanleiding van meerdere Kamervragen over dit onderwerp heeft de (demissionaire) minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de zomer een Kamerbrief gestuurd over aanvullende mogelijkheden voor koopkrachtbehoud binnen het nieuwe pensioenstelsel. In het voorjaar wordt hierop vervolg verwacht met een uitwerking welke instrumenten beschikbaar zijn om pensioenfondsen meer ruimte te geven om op inflatie te sturen.

Wanneer wet- of regelgeving daadwerkelijk meer sturing op inflatie mogelijk maakt, ontstaat een beleidskeuze: welke ruimte wordt benut, met welke doelen en binnen welke grenzen? Dit vraagt om een expliciete afweging in relatie tot risicohouding, evenwichtige belangenafweging en uitvoerbaarheid.

Werk aan de winkel

Na afronding van de transitie verschuift het zwaartepunt van implementatie naar doorontwikkeling. De thema’s die daarbij naar voren komen –communicatie, monitoring, keuzebegeleiding, integraal risicobeheer en koopkrachtpositionering– raken direct aan de kern van het bestuurlijk en beleidsmatig handelen binnen pensioenfondsen.

De post-transitieperiode vormt daarmee een logisch vervolg waarin beleid verder wordt aangescherpt en onderling afgestemd. Er is geen sprake van stilstand na de transitie, maar van een fase waarin ruimte ontstaat om keuzes te expliciteren, beleid te verdiepen en de inrichting beter te laten aansluiten op de werking van het nieuwe stelsel.

Dit artikel is op xx maart 2026 verschenen in PensioenPro.

Gerelateerde insights

X
Cookies help us improve your website experience.
By using our website, you agree to our use of cookies.
Confirm